gototopgototop

Geschiedenis

Het kasteel van Coevorden

Coevorden werd na 1024, het jaar waarin de graafschap Drenthe in handen kwam van de bisschop van Utrecht, zetel van de burggraaf. Deze door de bisschop aangestelde ambtenaar was belast met het bestuur van dat deel van de graafschap, dat nu ruwweg de provincie Drenthe omvat. De keuze van Coevorden als standplaats was gemaakt, omdat de plaats de belangrijkste toegang tot het gebied vanuit het zuiden beheerste. Dat Coevorden voor de burggraaf wel erg in periferie van zijn bestuursgebied lag, woog kennelijk niet op tegen het militaire voordeel.

De burggraven hadden een vooraanstaande positie en bij die positie paste een voornaam en ~ veel belangrijker ~ verdedigbaar huis. In zijn oudste vorm was de burg te Coevorden een kunstmatige heuvel met (waarschijnlijk) een houten toren. Deze toren was een vluchtplaats bij gevaar; de woon~ en bedrijfsgebouwen waren gevestigd op de voorhof. Het hele complex was beschermd door houten muren en grachten.

Nadat de bisschop aan het eind van de veertiende eeuw diverse problemen heeft gehad met de heren van Coevorden werd het kasteel grondig verbouwd. Er verrees een nieuw stenen hoofdgebouw met torens op de hoeken. Het stenen gebouw omvatte een woonhuis en een kapel, een poortgebouw en een ringmuur. De bedrijfsgebouwen bleven gevestigd in de zogenaamde voorburcht, die was blijven bestaan.

Tussen 1522 en 1528 is het kasteel opnieuw ingrijpend verbouwd, door hertog Karel van Gelre en tussen 1536 en 1551 nogmaals, ditmaal onder gezag van keizer Karel V. Het gebouw kreeg ruw gezegd de vorm die het nu ook heeft. De gebouwen omvatten toentertijd een stenen hoofdgebouw met toren, ongeveer ter grootte van het huidige en een aantal bijgebouwen waaronder een turfschuur, hooihuis, bouwhuis, brouwhuis en bakhuis. Dit waren gebouwtjes van vakwerk met leemvullingen en met riet gedekt. Het geheel was gegroepeerd rondom een binnenplaats. De kracht van de verdediging school in de wal, die als een ring rond de gebouwen liep. Deze wal werd na 1538 voorzien van palissaden en versterkt. In 1541 werd de wal nogmaals in betere staat gebracht. Bij deze verbetering werd de herberg, die in de wal lag, gesloopt.

De vesting Coevorden is aangelegd tussen 1597 en 1607, na de verovering van Maurits. Wel was het kasteel meermalen versterkt, met name door de Spaanse veldheer Verdugo, die het voorzag van vijf bolwerken.

Rabenhaupt, die tot drost werd benoemd na zijn verdienstelijk optreden in 1672, heeft het huis zodanig laten herstellen "dat 't selve voorts bij mij sal konnen worden bewoont." In 1686 is sprake van herstel van gaten in muren en dak. Het gebouw raakte daarna snel in verval. Een gedeelte van het kasteel werd verhuurd aan particulieren, waarna in 1796 het kasteel door de Gecommitteerde Representanten werd geveild. Jan en Gerrit Woltersom werden voor / 1.675,-- eigenaren van een huis en annexen staande op het Casteel. De kelder onder het gebouw werd eigendom van H. Wolssum. Deze was al huurder van de wijnkelder en de twee voormalige bierkelders en kreeg deze nu voor / 578,-- in vaste eigendom.

In 1832 is stadssecretaris en later wethouder Jan Woltersom eigenaar. Het kasteel werd in deze tijd in tweeën gesplitst. In 1889 is er sprake van een woonhuis (het rechter gedeelte) en een pakhuis. In 1920 kwam het huis in bezit van Jan Willem van der Lely, burgemeester van Coevorden.

Het pakhuis was eigendom van Jan Gerrit Kramer. De benaming pakhuis en woonhuis duiden er op dat van het kasteel weinig meer over was. De gevel was bepleisterd, in de muren waren nieuwe vensters uitgebroken, er waren binnenmuren gemetseld enz.

In 1938 kocht de gemeente Coevorden de restanten van het kasteel met de bedoeling het te restaureren. Hiermee werd pas in 1968 een begin gemaakt. Bij de restauratie bleek het belangrijkste nog bestaande deel van het gebouw, de zaal, in oorsprong zeventiende~eeuws. Bij de restauratie is de zeventiende~eeuwse situatie hersteld. Door uitbraak van de latere binnenmuren ontstond opnieuw een grote zaal, zoals die ooit door de drost moet zijn gebruikt. Onder deze ruimte bevindt zich de drosten wijnkelder. De grond onder deze kelder bleek te bestaan uit opgebrachte vuile grond met takkenbossen. Dit duidt op een aangelegde heuvel.

De gedrongen toren was rond 1830 gesloopt. De lage vleugel is de jongste aanbouw. Deze moet zijn gebouwd tussen 1558 en 1563. Misschien nog het meest opvallende aan het gebouw is de rode kleur. Deze is oorspronkelijk. In 1661 heeft men het huis "tweemael met olyvarve laetten overfaerven."

(Bron: "Huizen van Stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners." door J. Bos, F.J. Hulst en P. Brood.)

De slag bij Ane

De Gelkingen, een partij georganiseerde burgers, komen met steun van Rudolf, burggraaf van Coevorden, in opstand tegen de zetbaas van de Utrechtse bisschop Hardbert van Bierum, Egbert van Groenenberg. De eerste onenigheden tussen Rudolf en Egbert waren er al in 1215 en nu de Gelkingen zich ontworstelden aan de macht van prefect Egbert om de handel beter te laten floreren, zag Rudolf zijn kans schoon om zich het burggraafschap van Groningen toe te eigenen. Hij verwoest het kasteel Glimme en verjaagt Egbert van Groenenberg naar Friesland.

Egbert is echter ook niet voor een gat gevangen en hij omsingeld Groningen en sluit Rudolf in, die dan ter nauwernood ontsnapt aan een gevangenschap. Rudolf keert terug naar Coevorden en brengt een leger bijeen en belegert wederom Groningen. Voor er echter een echte strijd uitbarst, besluit bisschop Otto II van der Lippe er zich mee te bemoeien. Hij roept alle edelen en gewapenden bijeen. Met buit en beloningen in het vooruitzicht gaan vele krijgslieden op weg naar het kasteel in Hardenberg, waar bisschop Otto II het grote en machtige leger bijeen laat komen.

Bisschop Otto heeft Rudolf en zijn strijdgenoten inmiddels in de ban gedaan en hun goederen verbeurd verklaard. Het is 27 juli 1227, de dag van beschermheilige Sint Panthaleon. Vol goede moed leiden de heren van Coevorden, Rudolf, Frederik en Godfried en hun vrienden Menso en Hendrik van Gravestorp hun schamele en armoedige leger dat bestaat uit lichtgewapende boeren uit Dalen, Loon, Steenvoorde en Goor. Zij verschansen zich achter een met gras en heide begroeide moerasvlakte en wachten de komst van de bisschop af.

Hoog gezeten op hun paarden en gehuld in zware harnassen rijden de meest bekende ridders rond: Gijbracht van Aemstel, de heren van Woerden en Montfoort, graaf Floris van Holland, de graaf van Kleef, graaf Gerard van Gelre, graaf Bodekin van Bentheim. heer Jan VI van Arkel, proost Dirk van Deventer, heer Reinout van Rese, Otto's broer en Berend van Horstmar, de grootste held uit die tijd en schrik van de Sarracenen.

Langzaam rijdt de legerschaar richting Coevorden, waar ze vlak bij de Vecht een ordeloze groep 'soldaten', een groep boeren, aantreffen. De bisschop geeft het signaal tot aanval en de ridders geven hun paarden de sporen. Een paar honderd meter gaat het goed, maar dan voelen de voorste paarden geen grond meer onder de hoeven en ze zakken weg in het sponzige en stinkende moeras. De ridders zakken met hen mee, gehinderd door de zware harnassen. Natuurlijk verdwijnt niet het hele leger in het moeras, maar dan nadert het boerenleger over graspollen en de slechts hen bekende sluipwegen. Bewapend met speren, zwaarden, hooivorken en boerenmessen gaan ze de ridders te lijf, die zich niet kunnen verdedigen in hun zware harnassen.

De graaf van Gelre en Gijsbrecht van Aemstel bijten in het stof en worden gevangen genomen. Berend van Horstmar, de grote held van Duitsland en de schrik van de Sarrecenen, moet het tegen dit schamele boerenleger afleggen en sneuvelt. Vele adelijke personen verdrinken. Anderen worden achtervolgd en beestachtig afgemaakt. Hun lijken worden beroofd.

De grootste vijand blijft echter ook niet ongemoeid. De bisschop zelf wordt als een rund afgeslacht. Zoals dr. Johan Picardt omschrijft: "En de verloren bisschop wordt weer gevonden in een moeras, doodt, zeer mismaakt, zijnde zijn hoofd met vlakzwaarden gelijk als gevild."

Na de dood van Otto II wordt al snel een nieuwe bisschop gekozen. Het kerkelijk bestuur in het Sticht Utrecht werd nu bekleed door Willebrand van Oldenburg, broer van graaf van Oldenburg. Willebrand besluit de zielen van zijn voorganger Otto II en de gesneuvelden te wreken door de kastelein van Coevorden, nog steeds Rudolf, geduchtig te straffen.

De bisschop en de zijnen trekken ten velde tegen hem en bij Peize werd het een overwinning. Vele Gelkingen werden gevangen genomen en een deel van de Drenthen werd vermoord en geradbraakt. Het hoofddoel was echter nog niet bereikt. Rudolf van Coevorden was nog niet gevangen genomen. De bisschop vraagt steun aan de keizer en de paus, die aflaten uitreikten aan allen die deelnamen aan de grote kruistocht tegen Rudolf van Coevorden. Met een in die tijd immens leger trekt de bisschop in 1228 ten strijde. Bisschop Willebrand splitst zijn leger op in zes groepen, die van zes zijden Drenthe binnenvielen. Rudolf had zelf zijn leger ook opgesplitst, maar dit was niet opgewassen tegen het grote bisschoppelijke leger. Rudolf, die inzag dat hij aan de verliezende hand was, gaf zich op 10 oktober 1228 over. Hij en de Drenthen gaven 40 gijzelaars te Vollenhove.

Onder zekere voorwaarden worden Rudolf, zijn broers Hendrik en Godefried en hun vrienden Menso en Hendrik van Gravestorp uit de ban gedaan:

1.       Rudolp van Covorden sal op staende voet overleveren het Kasteel tot Covorden,

en het Huys te Laer, gheleghen in de Graefsschap Benthem.

2.     Sal mede quiteren al zijn recht, dat hy heeft in de Landtschap Drenth.

3.     Sal aen den Bisschop betalen drie duysent Marck, voor de schade

die hy den Bisschop aengedaen heeft.

4.     Sal op zijn kosten werven hondert Ruyters, om die te senden in Lijflandt,

om onder Christen Heeren te dienen tegen d'ongeloovige Heydens.

5.     Sal op 't swarte Water by Swolle een Klooster stichten van

vijfentwintigh Baghijnen, van S. Benedictus orde.

6.     Sal op de plaets, genaamt de Mommerijten, daer den Bisschop dootgeslagen is,

tot versoeninge des dootslachs, fonderen een Collegium van vijfentwintigh Canoniken.

Eylard van Bentheim werd door de bisschop aangesteld als kastelein van Coevorden. Rudolf, die het niet kon verkroppen dat hij zijn bezit kwijt was geraakt, nam op 3 september 1229 bij verrassing het slot weer in, geholpen door een bediende van Eylard die hij daarvoor omgekocht had. Bisschop Willebrand rustte zich weer uit voor een strijd tegen de kastelein van Coevorden. Deze voorzag dat hij nu voorgoed het onderspit zou delven en sloot daarom met de vijand, die zich op het kasteel te Hardenberg ophield, een wapenstilstand van 15 dagen.

Tijdens de wapenstilstand nam Rudolf een besluit en begaf zich met zijn vriend Hendrik van Gravestorp naar de bisschop om tot een overeenkomst te komen. Ze worden echter gevangen genomen en op 25 juli 1230 levend geradbraakt. Er was een einde gekomen aan het leven van een geducht tegenstander van de bisschop. Rudolfs broer, Frederik, die wordt aangesteld als kastelein van Coevorden, probeert de moord op zijn broer te wreken, maar al zijn pogingen mislukken. Op 27 juli 1233 sterft bisschop Willebrand.

De bisschop werd opgevolgd door Otto III van Holland, een broer van graaf Floris van Holland. Hij maakte er onmiddellijk werk van de Drenthen te bedwingen en tot hun plicht te roepen. Hij bracht een leger op de been, maar de beangstigde Drenthen zonden afgevaardigden naar Bisschop Otto III en er werd een vergelijk getroffen: "In deese Vreede~handelinge hebben de Stenden deser Lantschap aengenomen een klooster te fonderen voor de Susteren der Cistertier~Ordre, en dat selve te begiftigen met jaerlijkse renten en inkomen", aldus dr. Johan Picardt.

Het klooster moet gesticht zijn tussen 1234, toen de onderhandelingen met de bisschop plaats vonden en 1246, toen de abdij officieel in de Cisterciënzerorde werd opgenomen volgens het besluit van de generaal~kapittel van de orde. De grondslag van het klooster Beate Maria in Campis was gelegd.

Plaats van de slag in 1227

De slag tussen de Drenthen en het bisschoppelijk leger op 27 juli 1227 is in de huidige geschiedenis bekend als de Slag bij Ane. In Ane is een gedenksteen opgericht om te herinneren aan het feit dat in die plaats de beruchte slag heeft plaatsgevonden.

Momenteel is er echter sterke verdeeldheid over de plaats waar de slag heeft plaatsgevonden, maar het begint er meer en meer op te lijken dat de strijd niet bij Ane heeft plaatsgevonden, maar veel dichter bij Coevorden, waarschijnlijk zelfs op Drents grondgebied over de Kleine Vecht nabij het erve De Kleine Scheere. Dit grondgebied zou volgens de verhalen van dr. Johan Picardt de Mommerijten, ook wel de Bommeriete genoemd, moeten heten.

De lokatie van het klooster Beate Maria in Campis, dat waarschijnlijk op dezelfde plaats heeft gestaan als het latere huis ten Clooster, bevestigt deze mening in sterke mate. Het klooster moest namelijk gebouwd worden op de plek waar bisschop Otto II van der Lippe en de zijnen de dood vonden. Het klooster stond aan de rand van het grondgebied dat volgens Picardt de Mommerijten werd genoemd.

Klooster Beate Maria in Campis

Zoals we zagen werd de abdij in 1246 officieel opgenomen in de Cisterciënzerorde. Voor die tijd stond de abdij onder de jurisdictie van de bisschop van Utrecht. Na de opname in de orde werd de abdij echter onder de hoede gezet van de abt van het moederklooster Aduard. De taak van de vaderabt werd in 1246 voor het eerst overgedragen aan abt Eylward, die van 1242 tot 1254 abt was. Hij had zich er ook mee bezig gehouden dat de abdij in 1246 in de Cisterciënzerorde werd opgenomen. Waarschijnlijk hield Eylwards voorganger, abt Wigbold, die van 1216 tot 1242 abt was, zich ook al bezig met de eerste stichting. Pas van maart 1253 is er een oorkonde bekend, waarin het klooster te Coevorden betrokken was. De abdis en haar Conventus sanctae Mariae de Campe juxta Covorde hebben bij bisschop Hendrik van Utrecht geklaagd over de slechte staat van hun klooster, over de weinige en onvruchtbare landerijen en over de vele overstromingen ter plaatse. De kloosterlingen zagen zo geen kans on zich in stand te houden en ze vragen daarom overplaatsing van hun klooster aan.

De oorspronkelijke oorkonde is niet meer voorhanden, maar we treffen haar aan in de vidimus van 22 juli 1312 van Guy van Avesnes, bisschop van Utrecht. Gevraagd wordt om overplaatsing naar Barlehare en Sebekeloe. De bisschop geeft hiertoe toestemming.

Toen in 1254 graaf Otto van Bentheim het convent Beate Marie in Campetis een stuk grond in de kamp van de hoeve Itterbeek, geheten de Mortkule, schonk om daar een huis te timmeren en een bouwhoeve aan te leggen, was het convent nog steeds in Coevorden gelegen. De plannen om te verhuizen naar Balderhaar en Sibculo waren waarschijnlijk toen nog niet opgegeven. Het huis Itterbeek lag namelijk dicht in de buurt van de hiervoor genoemde plaatsen. De kloosterlingen hebben echter besloten zich elders te vestigen, want in 1259 wordt er door de abdis en het convent van het klooster sancte Marie iuxta Covordiam besloten om over te gaan tot een goederenruil tussen graaf Otto van Bentheim en het klooster. Hako, zoon van Stefanus van Hardenberg, moet als leenman van de graaf van Bentheim, de goederen die hij in leen heeft ruilen voor de huizen "in Campen", Anewede (Anevelde), Itterbeke en goederen te Lutten. Het klooster krijgt in ruil hiervoor een "curtem Durse, molendium adiacens ipsi curti cum pascuis, aquis, pratis et omnibus infra marcham Durse ad ipsam curtem" (hof te Deurze, met de plaats voor het malen liggend bij dat zelfde hof (molen) met weiden, wateren, velden en alles gelegen onder de marke vam Deurze)

Het convent vestigt zich uiteindelijk niet in Deurze, maar zoekt haar heil wel in de omgeving, ten oosten van Rolde. De zusters verhuisden in 1260 of 1261 naar de plaats genoemd (H)assen in de parochie Rolde, waarmee een eind kwam aan het kloostergebeuren in Coevorden.

(Bron: "Van Robertus van Molesme tot Beate Maria in Campis", door B.J. Finke)

Het huis de Grote Scheer

Aan de weg van Hardenberg naar Coevorden ligt het landgoed De Grote Scheer. Nog steeds vormt het huis De Grote Scheer, ook wel Ter Scheer genoemd, het middelpunt van dat landgoed, gelegen in hoog opgaand hout aan de Coevordense Vecht. Voor 1795 mmakte dit goed deel uit van de marke Holthone in het schoutambt Hardenberg. Nadat in april 1811 dit schoutambt werd gesplitst maakt het deel uit van de gemeente Gramsbergen.

Reeds in 1426 blijkt het huis Ter Scheer te bestaan. Toen scheidde de postulaat (kandidaat~bisschop) van Utrecht, Rudolf van Diepholt, de buurtschap Holthone en het huis Ter Scheer af van het bisschoppelijk kateel te Coevorden. Deze scheiding sorteerde waarschijnlijk geen effect, want zowel het huis Ter Scheer als de buurtschap Holthone werden in latere tijd gerekend tot het schoutambt Hardenberg en dus tot het drostambt Salland.

Pas in 1462 blijkt wie er eigenaar was van het huis: Albert van Steenwijk. In dat jaar schonk de heer van Gramsbergen, Hendrik van der Eze, een stuk land in de marke Holthone aan Van Steenwijk om dit te voegen bij de bezittingen van het huis Ter Scheer.

Het moeten op de Grote Scheer spannende tijden zijn geweest tijdens het begin van de 80 jaren van opstand tegen de heerschappij van de Spaanse koning. Meerdere malen was de Scheer het toneel van oorlog en krijg. Nu eens trokken Spaanse troepen, dan weer Staatse troepen langs het huis. Hun doel was meestal de belangrijke vesting Coevorden. Toen in 1592 prins Maurits het beleg sloeg voor de vesting Coevorden, nam deze zijn intrek op de Grote Scheer om van daaruit de operaties te leiden. Bij die gelegenheid liet hij tevens het fraaie geboomte rond het huis kappen. Het volgende jaar probeerden de Spanjaarden, die nog steeds vaste voet in Twente hadden, Coevorden te heroveren. Ook hun krijgsoverste, Verdugo, nam toen zijn intrek op de Scheer en op het huis ten Clooster onder Coevorden.

Een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de Grote Scheer werd geschreven in 1672. In dat jaar was de Republiek in oorlog geraakt met de koningen van Groot~Brittannië en Frankrijk en met de bisschoppen van Munster en Keulen. De bisschop van Munster, Bernard van Galen, bijgenaamd Bommen~Berend, was de noordelijke provincies binnengevallen. Op het huis Ter Scheer capituleerde de Ridderschap van Overijssel zonder slag of stoot, weldra gevolgd door de drie IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle. Op de Grote Scheer werd toen de bisschop van Munster als landsheer erkend en werd de Unie van Utrecht verlaten. Na zijn smadelijke nederlaag voor de stad Groningen wed de bisschop van Munster tot de aftocht gedwongen. Nadat ook Coevorden weer op de bisschop veroverd was, rukten de troepen onder bevel van de verdediger van Groningen, Carel Rabenhaupt, aan op de Scheere. Zonder slag of stoot werd dit huis veroverd en vervolgens opgeblazen.

Veel later trouwt Anna Brigitta van Westervelt Sandberg in 1902 met Alexander Willem Frederik baron van Voërst van Lynden. Rond 1930 werd een nieuw huis gebouwd, dat bewoond werd door Samuël Willem Alexander van Voërst van Lynden, zoon van de eigenaren. Hij voerde de administratie over het landgoed en werd later burgemeester van Gramsbergen. Als zodanig werd hij in januari 1945 nog door de Duitse bezetters opgepakt en naar het kamp Neuengamme gevoerd, waar hij omkwam. Thans is het landgoed ingebracht in de B.V. De Grote Scheer, met zetel te 's Gravenhage.

(Bron: "De havezaten in Salland en hun bewoners", door Jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema)

Holthone en het landgoed De Groote Schere

De buurtschap Holthone in de gemeente Gramsbergen ligt zo'n 4 kilometer ten zuiden van Coevorden. De buurtschap grenst in het noorden aan de provinciegrens met Drenthe en in het zuiden aan de buurtschap Anerveen. De kern hiervan wordt gevormd door de Holthoneres, een zandhoogte. Rondom deze es lagen en liggen de boerenbedrijven.

Op het eerste gezicht lijkt de naam Holthone te zijn ontstaan uit holt = hout en Aone = Ane. Hout van Ane dus. De boerengemeenschap van Ane had toch hout nodig voor het bouwen van huizen en haardvuren en het gebied was nogal bebost, vandaar. Toch is deze uitleg waarschijnlijk niet juist. In oude geschriften wordt Holthone vermeld als Holthoen of Olthoen. Het woordje "hoen" (spreek uit "hoon") betekent hoogte. De betekenis wordt dan: "een met bos begroeide hoogte." En ook dat is goed in het terrein waarneembaar.

Holthone heeft in de eeuwen veel te lijden gehad van de oorlogshandelingen waarin Coevorden betrokken was. In het quohier van het vuurstedegeld van Salland van 1675 lezen we onder het karspel Hardenberg: "Olthoen dese Buurtschap is geheel geruïneert geweest maar dese naevolgende huisen sijn weder op nieuwe geset, Clumper ~ 1 gld; Drente ~ 1 gld; de Scheere ~ 1 gld."

Ook op het einde van het jaar 1813 heeft het oorlogsgeweld wederom toegeslagen. De Haarlemse Courant van 6 januari 1814 schrijft daarover het volgende:

"Hardenberg 28 december. De dag van gisteren was voor de ingezetenen van deze en omliggende plaatsen zeer verschrikkelijk en treurig. Het fransche garnizoen van Coevorden, drie uren van hier gelegen, deed eene hevigen uitval tot nabij ons steedje, dat men hier, met den meesten spoed, alles in het werk stelde, om de beste goederen in te pakken en met schuiten en wagens te verzenden, en vrouwen en kinderen in haast te doen vlugten. De vijand, tot in de boerschap Aane, een groot half uur van hier, genaderd zijnde, werd hun, tusschen Aane en het Aanerveen, door de Kozakken, burgers en boeren, zulk eenen dapperen tegenstand geboden, dat hun het verder voortrukken belet werd. Ondertusschen hebben de Franschen te Aanerveen en Holthone velerhande plunderingen en vernielingen aangericht; alles weggevoerd, wat zij konden, kisten, kasten, klokken en andere huismeubelen vernield, ongeveer zes runderbeesten gerooft en medegenomen en andere, die zij niet zoo spoedig konden meevoeren, doodgeschoten. Van diezelfde bende zijn er eenigen in de Meene en op de Klokhennen, aan de Vecht, tegen over Gramsbergen, geweest; hebben aldaar dezelfde verwoestingen en roverijen aangerigt; doch ook daar werden zij in hunne woede, door de Kozakken en boeren, gestuit, welke hen met zoo veel dapperheid hebben afgeslagen, dat Gramsbergen, welke een deerlijk lot te wachten stond, bevrijd gebleven is, en vier man van de Franschen gevangen genomen zijn; waarna die roversbende met haren buit naar Coevorden is terug getrokken."

Er blijken twee boerderijen op de es van Holthone in de as te zijn gelegd. De boerderij van de familie Drenthen was daar één van. Overigens herhaalden de Fransen deze plundering op 28 april 1814. Pas op 7 mei 1814 trokken ze uit dit gebied weg.

Samen met het landhuis De Scheere is Holthone een prachtig landschappelijk gebied, dat enigszins idyllisch aandoet. Het behoort tot de N.V. Landgoed De Scheere en valt onder Natuurbescherming. Hoewel oorspronkelijk niet voor het publiek toegankelijk, heeft men nu vrije toegang op de paden. Het landgoed is 840 hectare groot en er staan ca. 20 boerderijen, die herkenbaar zijn aan de rood~geel~groene luiken.

Alle boerderijen zijn voorzien van welluidende namen, zoals:

"het Ooievaarsnest"; dit was de boerderij van Hendrik Gerrits, ook wel genoemd "Veurinks Hendrik". Vanuit deze plek zijn de kinderen uitgevlogen. Zoon Hendrik Jan kwam te wonen op de boerderij "de Oranjehoeve". Herman Passies, zoon van Jan Passies en Mina Gerrits woonde op de boerderij "de Schans".

 
Valid XHTML & CSS | Template Design | Copyright © 2010 by Henk Gerrits